Artikelen

De opdrachtgever de baas
Als we van specifiek opdrachtgeverschap spreken, is deze opdrachtgever ook de eindgebruiker van het gebouw. De architect bouwt een persoonlijke relatie op met de opdrachtgever, probeert hem tevreden te stellen. Zo kunnen alle specifieke (woon)wensen bij het ontwerpen een belangrijke rol spelen en bepalend zijn voor het ontwerp. Het eindresultaat zit de opdrachtgever als gegoten, als een maatpak.
Zoniet de ontwerpen van Christan Rapp. Hoewel Rapp zowel voor particuliere specifieke opdrachtgevers heeft gewerkt als ontwerpen heeft gemaakt voor een grotere generieke doelgroep, lijken de woningen voor particuliere opdrachtgevers de bewoners niet beter te zitten dan de generieke woningen. Sterker, ze zijn strenger, minder gebruikersvriendelijk en zelfs autoritair. Hierin schuilt een paradox: het maatpak, waarvoor de klant persoonlijk een architect inschakelt om het te maken zit minder goed dan een massaproduct, gemaakt voor een zo groot mogelijke doelgroep.

Christian Rapp voert zijn hoofdconcept het liefst tot in de kleine details door, zo strikt mogelijk. Elke ontwerpbeslissing wordt dan ook aan het hoofdconcept of het hoofdthema getoetst. Het gevaar hiervan is, dat de bruikbaarheid of het functioneren van het bouwwerk in het gedrang komt. Thematisering en functionaliteit zijn aan elkaar gekoppeld, zoals op een weegschaal. Als het thema zwaarder weegt, zal dat vanzelfsprekend ten koste gaan van de bruikbaarheid van het gebouw. De kunst hierin is dan natuurlijk het opzoeken van het evenwicht, waarbij de opdrachtgever zich in de meeste gevallen hard maakt voor de functionaliteit en, in het geval van Rapp, de architect het ontwerp zo hard mogelijk naar de thematische kant wil trekken.

Voor Rapp weegt het concept bij het nemen van ontwerpbeslissingen liefst zo zwaar mogelijk. Dat wil niet zeggen dat hij ernaar streeft een onbruikbaar gebouw te maken, maar de functionaliteit is zeker ondergeschikt aan het thema. Dit komt voort uit de twee leermeesters die Rapp heeft gehad, te weten Hans Kollhoff en Rem Koolhaas. Hoewel de architectuur van beiden esthetisch nogal van elkaar verschilt, zijn ze beiden aanhanger van het gedachtegoed van Oswald Mathias Ungers.
Ungers bekritiseert in zijn boek “Die thematisierung der Architektur” het functionalistische denken en pleit voor een architectuur met een eigen taal, een thema of concept: “Een architectuur die niet een thema uit zichzelf betrekt, is als een beeld dat zich ertoe beperkt een afbeelding te zijn. Het thema en de inhoud van architectuur kan slechts de architectuur zelf zijn. Zoals een schilderij zich van haar eigen taal en poëzie bediend om voorstellingen uit te drukken. Of hoe muziek zich in een compositie laat neerzetten, zo bestaat voor de architectuur niet alleen de mogelijkheid, maar de kunstzinnige noodzakelijkheid, ideeën met de taal van architectuur als ruimtecomposities zichtbaar en beleefbaar te maken.”(1)
Bij Kollhoff gaat het om een klassiek formalistisch architectuurconcept, terwijl Koolhaas op zoek gaat, naar een vloeibaar, nergens vorm wordend concept. Om de ‘klassische Geisteshaltung’ tegenover het ‘Kopfspiel’ aldus Christian Rapp.(2)
De positie van Rapp bevindt zich ergens hier tussenin. Hij heeft de verschillende elementen volkomen vanzelfsprekend weten te combineren: de vrijheid van denken en het strikte doorvoeren van een basisconcept van Koolhaas en de aandacht voor de plek, het historische vernacular van Kollhoff.
Opvallend is dat de mate waarin het hoofdconcept de overhand heeft in het ontwerp sterk verschilt per opdrachtgever of per project.
De drie projecten die behandeld worden in dit tijdschrift, lopen uiteen wat strengheid betreft. In het project voor ontwikkelingsmaatschappij New Deal bijvoorbeeld, is het basisconcept niet erg streng c.q. bepalend voor de vol-ledige indeling van het ontwerp.

Van een plan dat oorspronkelijk voorzag in het bouwen van tachtig woningen zijn er vier gerealiseerd. Het oorspronkelijke concept is gebaseerd op steegjes aan weerzijden tussen de verschillende woningen van 90 centimeter breed en gezien de lange kavels met rug-aan-rug patiowoningen, tientallen meters diep. Deze steegjes leidden naar de toegangen tot de woningen, die zich dus niet aan de gevel bevonden, maar aan de zijkant van de woning. Niet alleen werden het zo vrijstaande woningen, ook was het een gunstige ingreep voor wat betreft de moeizame daglichttoetreding in de smalle, diepe huizen die in het stedenbouwkundige plan waren voorgeschreven. De woningen hebben een dakterras op de eerste verdieping waar de woning verder helemaal op georiënteerd is. Dit heeft voor Rapp als logische consequentie dat de voorgevel per verdieping volledig gesloten is, of geheel geopend, als daar aanleiding voor is. Voor de woning aan de van Hengelstraat is deze reden het uitzicht; hier is de eerste verdieping aan de straatzijde dan ook volledig van glas. Bij de woning aan de Seinwachterstraat echter is deze aanleiding er niet. Als Rapp zich strikt aan zijn concept had gehouden, zou deze gevel volledig blind zijn. Hier is hij echter tegemoet gekomen aan de functionaliteit van de woning, door in het midden van de blinde gevel openslaande deuren naar de keuken te plaatsen. Verder laat deze woning in vergelijking met de twee andere projecten van Rapp op Sporenburg veel vrijheid in gebruik en indeling van de woning.

In het ontwerp van de woning De Vroom is het concept van de steegjes aan beide kanten van het pand gereduceerd tot het absolute minimum. De steegjes zijn hier nog maar 300 mm breed. Ze functioneren niet meer als steeg, maar nog wel als belangrijke bron van daglicht voor de begane grond van de woning. Deze ingreep heeft verregaande consequenties voor de rest van het ontwerp: Door de woning los te zetten van haar buren is het namelijk noodzakelijk geworden om de gevels van de aangrenzende panden toegankelijk te maken voor onderhoud en reparatie. Door ervoor te zorgen dat de gevels van Huis De Vroom volledig te openen zijn is het mogelijk geworden dit vanuit het pand te doen. Deze spectaculaire oplos-sing is bepalend voor de indeling van de plattegronden en speelt dus een allesbepalende rol. Het wonen is hieraan dus ondergeschikt.

Verreweg het meest extreme voorbeeld van het zich moeten voegen van de functie naar het concept is het huis Santen. Hier heeft Rapp de steeg op de begane grond in het midden van de woning geplaatst en op de bovenste verdieping terug laten komen in de vorm van een diep en smal dakterras. De smalle woning wordt op de begane grond en de tweede verdieping dus in tweeën gesneden.
Dit project lijkt een studie naar pure architectuur, zoals Peter Eisenman dat al deed in zijn House I t/m X. Eisenman koppelt de functie en de constructie los van het ontwerp en maakt deze totaal ondergeschikt aan vormwil en concept. In zijn boek ‘Houses of cards’(3) noemt hij constructie-elementen als kolommen een “storend element” dat “inbreuk maakt” op de leef- en eetruimten van een traditionele woning. Hij gaat uit van een kubusvormig raster dat hij transformeert en waarvan delen worden ingevuld of leeg gelaten. Door hierbij de constructie en functionaliteit ondergeschikt te maken ontslaat volgens hem de puurste vorm van architectuur.

Voor het Huis Santen heeft Rapp voor dezelfde aanpak gekozen. Uitgangs-punt was hier het thema uit de woningen voor New Deal, het blok met een open ruimte en hoe deze zich tot elkaar verhouden. Uit verschillende varianten heeft Rapp voor de variant met de H-vorm gekozen, ongeacht de consequenties voor de gebruiker.

In het feit dat de woningen die specifiek ontworpen zijn voor een opdrachtgever die tevens eindgebruiker is, strenger van karakter zijn dan de woningen ontworpen voor een ontwikkelaar schuilt een paradox. Het zou immers logischer zijn dat de specifieke ontwerpen leefbaarder zijn voor de opdrachtgever, omdat deze zijn of haar specifieke wensen in het ontwerpproces kan invoeren.

Rapp blijkt over een kwaliteit te beschikken de opdrachtgever ervan te overtuigen, dat het bouwen van pure architectuur in hiërarchie boven de functionaliteit van een gebouw staat. Bij kleine projecten lijkt hem dit beter te lukken dan bij grotere, waarbij de opdrachtgever waarschijnlijk vanwege zijn professionaliteit meer tegengas durft te geven. Rapp is de opdrachtgever het liefst de baas.
Bij het ontwerp voor het huis Santen is hij hier zover in gegaan, dat de opdrachtgever het huis nooit bewoond heeft. Het huis is direct na oplevering doorverkocht aan zijn zoon, die er nu met zijn gezin woont. Deze heeft Rapp ondertussen benaderd voor een ingrijpende verbouwing, waarbij de steeg in het midden van de woning waarschijnlijk verdwijnt en de functionaliteit alsnog belangrijker blijkt dan het concept.